Zwijgen kan niet verbeterd worden, of wel?
In 'Door de sneeuw' gebeurt er iets bijzonders. De Duitse auteur Tommie Goerz (1954) gebruikt een ondergesneeuwd Alpendorp om de lezer terug te katapulteren naar een landelijke dorpsgemeenschap van vele decennia geleden. Maar al snel verkruimelt de idylle van de hechte dorpskring. 'Door de sneeuw' is niet alleen een puntgave ode aan een verdwijnende wereld of een portret van een hartverwarmende vriendschap tussen twee mannen, onder het laagje sneeuw ligt ook een dorp vol stinkende mesthopen.
Het bergdorp waar Max al tachtig jaar woont, ligt bedekt onder de sneeuw. Buiten is het stil. Tot de doodsklokken luiden voor Schorsch, Max’ levenslange vriend en metgezel. Zoals de traditie het wil, wordt er een dodenwake georganiseerd waar de dorpsgenoten herinneringen ophalen aan Schorsch en aan vroeger, aan een wereld die langzaam maar zeker aan het verdwijnen is.
Dat is ook de eerste indruk die Goerz wekt: het lijkt aanvankelijk een gewoon verhaal te worden over een lieflijk en arcadisch bergdorp met een landelijke dorpsgemeenschap die wordt ingehaald door de tijd. De ambachtslui (de smid, de schoenmaker, enz…) zijn verdwenen en de winkels en de lokale school zijn gesloten. Het stationnetje ligt er verwaarloosd en verlaten bij en de mensen uit de nieuwbouw hebben geen voeling met de gewoontes van de oudere dorpelingen. Met elk overlijden verdwijnt er een stukje dorpsgeschiedenis. Een manier van leven houdt langzaam op te bestaan.
Maar 'Door de sneeuw' is veel meer dan het zoveelste verhaal over een verouderde dorpsgemeenschap die tegen wil en dank het hoofd moet buigen voor de moderniteit en de vernieuwing. Het is ook geen louter nostalgische trip naar ‘de goede oude tijd’ van onze voorouders waarin het allemaal zoveel beter en vrediger was. Integendeel. De realiteit is anders. Wanneer een buitenstaander aan Max zegt dat het dorp hem doet denken aan ‘een kalm, stil meertje’, antwoordt Max: ‘Het is een meertje waar je de bodem niet van ziet. Je weet nooit wat er daar beneden allemaal sluimert.’
In het bergdorpje sluimert er behoorlijk wat, merk je al snel. De idylle van de vredevolle pastorale gemeenschap wordt vakkundig doorprikt door verwijzingen naar geweld op vrouwen, naar een kind dat omwille van zijn rode haar wordt opgesloten en sociaal geïsoleerd, naar xenofobie tegenover de mogelijke komst van Afrikaanse vluchtelingen, enz…
Het dorp is hard – ‘van liefde gaan de aardappels niet groeien’ – gesloten en zwijgzaam. ‘Er werd sowieso meer gezwegen dan besproken, want de regels waren helder. Iedereen wist hoe je met elkaar omging, je stelde grenzen en verder bemoeide je je niet met een ander’, staat er.
Max denkt bij zichzelf ook dat het dorpsleven lijkt te bestaan uit ‘kringetjes waar je van buitenaf nooit in doordrong’. ‘Het dorp was een kring, elke boerderij, elke familie was een kring en mensen waren op zichzelf ook een kringetje. Alles was hermetisch, afgesloten, ondoordringbaar.’ De dorpelingen lijken dus te leven volgens de leuze ‘zwijgen kan niet verbeterd worden’, naar een boek van Willem Elsschot. Maar die loden zwijgzaamheid en die geslotenheid hebben ook een prijs. Daar zijn in het boek genoeg voorbeelden van te vinden.
En toch, toch verwarmt het verhaal de lezer als een smeulende kachel op een winteravond. Dat komt vooral door de manier waarop Goerz de hechte vriendschap, de decennialange verbondenheid, tussen Max en Schorsch tot leven brengt. In korte, rake zinnen schetst Goerz een beeld van een unieke vriendschap, een beeld dat zal blijven hangen ook nadat de sneeuw en het bergdorpje zelf verdwenen zijn.
Synopsis
Na de dood van zijn levenslange vriend bezoekt een oude man een dodenwake in een besneeuwd bergdorp. Daar worden herinneringen en verborgen gebeurtenissen uit het verleden aan de oppervlakte gebracht, waardoor alles voor hem verandert.