Dansend op een slappe koord
Booker Prize-winnares Arundhati Roy brengt met Mother Mary Comes to Me een soort hommage aan haar moeder. Een moeder met wie ze een erg complexe relatie had, want naast een in India bekende feministe was haar moeder op het thuisfront ook opvliegend en tiranniek. Dat geeft de memoires een rauw randje. Als lezer krijg je daarnaast ook een inkijk in de genese van Roy als schrijver en in haar visie op de politiek-maatschappelijke evoluties in India.
De Indiase schrijver Arundhati Roy schoot eind jaren ‘90 als een ware komeet naar het literaire firmament toen ze met haar debuutroman De God van kleine dingen meteen de Booker Prize won. Dat boek droeg ze toen op aan haar moeder, Mary Roy, “die genoeg van me hield om me te laten gaan”. Dat zinnetje was maar een halve waarheid, zo leren we in Mother Mary Comes to Me, een boek dat de auteur ‘moest’ schrijven na het overlijden van haar moeder in 2022.
In Mother Mary Comes to Me doet Arundhati Roy de complexe relatie met haar moeder uit de doeken. Haar moeder, in het boek door de kinderen steevast ‘mevrouw Roy’ genoemd, groeide in India uit tot een feministisch boegbeeld. Ze richtte er in de zuidwestelijk staat Kerala een school op waar ze ‘hele lichtingen lieve, zorgzame en respectvolle mannen kweekte’ en tegelijk meisjes ‘ruggengraat, vleugels, vrijheid’ gaf. Ze vocht ook (met succes) ongelijkheden in het erfrecht aan. Maar tegelijk voerde ze op het thuisfront een schrikbewind waarbij Arundhati en haar broer het mikpunt zijn van geweld en vernederingen. ‘Had ik je maar in een weeshuis gestopt’ en ‘Je bent een molensteen om mijn nek’, zijn maar een paar wrede verwensingen die Arundhati naar het hoofd geslingerd krijgt. Op een gegeven moment legt de moeder ook uit dat ze op verschillende manier een abortus heeft willen plegen, gaande van het eten van ‘veel onrijpe papaja’s’ tot met ‘een kleerhanger van ijzerdraad’.
De situatie wordt voor Arundhati onhoudbaar en op haar zestiende beslist ze om de band met haar moeder (tijdelijk) door te knippen. ‘Ik had de banden met mijn moeder niet doorgesneden omdat ik niet van haar hield, maar om van haar te kunnen blijven houden’, zegt ze daarover. Jarenlang hebben de twee geen contact meer met elkaar. In die periode studeert Arundhati af als architecte, leert ze haar toekomstige man kennen en belandt ze in de filmwereld. Maar onderhuids blijft het spanningsveld knetteren. ‘Ze was mijn schuilplaats en mijn storm’, zo schetst Roy de dualiteit in de relatie met haar moeder. Het is een constant gevecht: afstoten en aantrekken, afkeer en bewondering.
Arundhati probeert te doorgronden waarom haar moeder wél liefdevol kon omgaan met de leerlingen op haar school, maar niet met haar bloedeigen kinderen. Enkele mogelijke verklaringen passeren de revue: Mary had een grote interne woede omdat ze eerder ook zelf af te rekenen had met een gewelddadige vader, omdat ze trouwde met een drankverslaafde ‘nietsnut’ en omdat ze voortdurend te kampen had met een kwakkelende gezondheid. Maar zelfs die optelsom maakt de scheve situatie niet minder krom en het kan ook niet vermijden dat een deel van het trauma wordt doorgegeven van moeder op dochter. Zo voelt Arundhati zich in haar volwassen leven ook nooit echt ergens thuis. Meer zelfs, zodra ze zich ergens ‘veilig’ begint te voelen, wordt het volgens haar ‘gevaarlijk’ en heeft ze de neiging weg te vluchten. Dat wordt een patroon dat zich herhaalt.
En toch stuurt de moeder op het einde van haar leven dit bericht naar Arundhati: ‘Ik heb van niemand ter wereld zoveel gehouden als van jou’. Dat past opnieuw in dat voortdurende spel van afstoten en aantrekken.
De tumultueuze en gelaagde moeder-dochterrelatie is zonder twijfel het kloppende hart van het boek. Maar de lezer krijgt daarnaast ook een inkijk in de wordingsgeschiedenis van Arundhati als auteur en in haar groeiende rol als schrijver-activist. Die laatste term hoort ze zelf niet graag, omdat een schrijver volgens haar automatisch een activist is en omdat al haar schrijven politiek is.
Hier en daar slaat Roy wat te veel zijwegen in. Zo gaat ze bijvoorbeeld wel erg in detail in op enkele politiek-maatschappelijke evoluties in India en op een aantal juridische perikelen. Die zijwegen halen de vaart wat uit de vertelling. Maar wie niet echt thuis is in de socio-politieke situatie van India, leert wel erg veel bij. De grote invloed van het oprukkende hindoenationalisme in India en de demonisering van de moslimgemeenschap waren mij persoonlijk bijvoorbeeld vreemd.
Net als in haar relatie met haar moeder, moet Arundhati zich in haar maatschappijkritische essays en politiek geladen boeken bewijzen als evenwichtskunstenaar, dansend op een slappe koord. Ze krijgt van tegenstanders in India het verwijt dat ze ‘antinationalistisch’ is of ‘een vriend van Pakistan’. Haar kritiek, haar schrijven is dan ook niet ongevaarlijk. Maar in interviews laat Roy verstaan dat ze zich beschermd voelt door haar lezers. Die zijn in India en daarbuiten met veel. Bovendien schuilt de sterkte van Arundhati Roy erin dat ze zich net daar, als dissident dansend op een slappe koord, op haar plaats lijkt te voelen.
Synopsis
Memoires van de Indiase schrijver (1961), die na de dood van haar moeder terugblikt op hun band en haar jeugd in Kerala, India, waar haar alleenstaande moeder een school oprichtte.