Menu

Blauw vuur

Het snorkelparadijs en de witte stranden van het eiland Karimunjawa hebben we achter ons gelaten en ingeruild voor zwaveldamp en lavasteen. Onze volgende haltes zijn Mount Bromo en de Ijen krater. Na een dag rijden op versleten Javaanse wegen in een veel te krap busje met nog acht andere toeristen, komen we aan in het bergdorp Wonokerto, waar een mistroostige kamer in het Sion View hotel ons nest wordt voor een korte nacht.
De vele uren ‘on the road’ bieden mij ideale leestijd. De laatste wereld van Christoph Ransmayr heeft al zijn geheimen prijsgegeven en ik heb er van de eerste tot de laatste bladzijde ontzettend van genoten. Het volgende boek in mijn backpack is Piloot van goed en kwaad van Joost Conijn. Deze sympathieke noorderbuur vertelt over zijn reis naar Afrika die hij nota bene met een zelfgemaakt vliegtuig ondernam. Chapeau. Het boek leest razendsnel en zit vol fascinerende anekdotes en interessante weetjes over de vliegerij, een sector die mij tot voor kort nog volslagen onbekend was. Zo ben ik te weten gekomen dat je in amper tien vliegbeurten je vliegbrevet in Tsjechië kan halen en dat een vliegtuig altijd tegen de windrichting in landt.
Terug naar mijn eigen reiservaring. Buiten is het fris, we zitten een stuk hoger dan waar we vandaan komen en zijn de koude niet meer gewend. Om drie uur ’s ochtends staat het busje klaar dat ons afzet aan de voet van het uitkijkpunt op Bromo. Een steile weg kronkelt naar boven. Ruiters, jeeps en scooters rijden ons voorbij, de zwaveldamp dringt tot diep in onze kleren door. Het einde komt maar niet in zicht, na elke bocht die we voorbij zijn, kondigt er zich een volgende aan. Het begint te schemeren wanneer we - eindelijk boven gekomen - een rustig plekje uitzoeken, weg van de mensenmassa. Uitgeput zetten we ons neer op een steile rots. Het eerste zonlicht werpt zich op de machtige vulkaan. Dikke nevelslierten kronkelen tussen de rookpluimen die hij traag uitademt.
We vervolgen onze weg naar de Ijen krater en zijn misselijk van de zwavelgeur in onze kleren. Zeven lange uren later worden we afgezet in Arabika Homestay. De slaapkamer is mogelijks nog erbarmelijker dan de vorige, maar goed, een bed is een bed. We zetten met lichte tegenzin de wekker om één uur in de ochtend en kruipen gauw onder de wol, wanneer we plots opgeschrikt worden door een vreselijk kabaal buiten. Enkele vijfjarigen hebben blijkbaar het idee om het volume van de plaatselijke moskeemicrofoon eens luidkeels uit te testen.
Om één uur worden we kreunend wakker uit een korte slaap en slepen ons geeuwend met de rugzak op onze rug naar het busje dat ons naar de voet van de Ijen krater voert. We krijgen ieder een gasmasker in onze handen geduwd en beginnen aan een klim van bijna twee uur. Hoe meer we de top naderen, hoe benauwder het wordt, het is tijd om de gasmaskers op te zetten. Een dikke rookwalm vliegt over ons heen, ogen tranen, er wordt hardnekkig gehoest. Met een zaklamp in de hand dalen we een afbrokkelend pad af naar het hart van de krater.
Bij elke stap vraag ik me af waarom ik dit doe, tot ik plots felle blauwe vlammen ontwaar in de dichte rook: het blauwe vuur van Ijen.
Ik had wel uren naar de adembenemende vlammen willen kijken en wou tegelijk zo snel mogelijk van deze plek vandaan geraken. Mijn keel en ogen protesteren uit alle macht en winnen het uiteindelijk van de wil om te blijven. Hoestend en tranend klauter ik weer naar boven.
Op de bergkam aangekomen zetten we de maskers af en kunnen weer vrij ademen. We lopen nog een stuk verder en houden halt wanneer de zon aan de horizon verschijnt. Met open mond staren we naar het landschap om ons heen. Achter ons de zee, voor ons het turquoise meer te midden van de krater dat afsteekt tegen de gele zwavelsteen. Hier zijn geen woorden voor.
Tijden het afdalen denk ik aan de woorden van Joost Conijn: ‘Reizen is een berg beklimmen, opkijken tegen de helling, boven aangekomen overzie je de weg die je hebt afgelegd en de weg die je nog te gaan hebt. Misschien was ik vandaag op de top.’